Stokken en hertenbedden, BSO verhalen

We gaan naar buiten, voor het eerst want we zijn net opgericht. Het is koud en bewolkt. “Waarom moeten we naar buiten?” Grote zus knarst haar broertjes rits tot zijn kin: “Anders vat hij maar kou he.”
Vijf kinderen vliegen in alle windrichtingen. Ik besluit langzaam te bewegen en er niet waarschuwingen roepend achteraan te rennen. Een beetje in paniek probeer ik rustig te blijven en besluit: “We gaan naar het bos! Komen!”

“Waar is het bos?” “Waarom gaan we naar het bos?” “Ik wil niet naar het bos.” “Yeah, we gaan naar het bos.” Ze zitten in de fietskar, alle zeven en ze schreeuwen van spanning. Nog even dan kunnen ze rennen, maar dan wel één kant op.
“We gaan naar het Hertenbos,” zeg ik. “Daar leven echte herten en als we geluk hebben vinden we een hertenbed.” Veertien ogen kijken me aan. Ik heb ze en ik zie de hertenbedden bijna tastbaar boven hun zeven hoofden zweven.
Ik wijs ze het Hertenbos aan het einde van het veld.

“Wachten bij de sloot!” zeg ik. Ze stuiven ervandoor en wachten zowaar -duwend en gillend- bij de sloot.
Jullie moeten mij in het bos kunnen zien of horen, zeg ik streng. Ze beloven het, springen over de greppel en klauteren het bos zonder paden in.

De zon is gaan schijnen en het bos stilt het schreeuwen. Ze klimmen en vinden stokken, veel stokken. Een jongen is minutieus lang bezig met een stok. “Dit is echt de beste, ik haal de pissebedden er allemaal af,” vertelt hij desgevraagd. “Mogen we de stokken meenemen?” Dat mag wel, totdat ik zie wat ze van plan zijn: halve bomen worden meegesleept. “Ze mogen alleen mee als ze in de kar passen.” Dat vinden ze dan wel logisch.
We komen op een door naaldbomen omsloten open plek. Het is er betoverend mooi. De kinderen staan er zelfs even van stil. Op de zachte bosgrond zijn wel acht ovale kale plekken. Ik wijs ze de hertenbedden. “Echt??” “Echt, zo slapen ze gewoon.”
Het licht schijnt door de takken, rustig en fijn warm. “Hoe maken ze zo’n bed?” “Hebben ze geen deken?” “Hebben ze dan geen hol?”
Ze zitten niet te wachten op antwoorden en rennen verder met hun stokken door het kreupelhout.
“Oooohhhhh! Hij gaat helemaal door de hoge takken!”
Grote broer: “Hij moet wel, hij wil Freek worden.”