Bijna Lente

Bijna lente, BSO verhalen



Gisteren hebben de maandag-kinderen een dode buizerd gevonden in het waterbos. Die willen de dinsdaggers ook wel zien, dus ik krijg ze mee. Uit de wind pal in de zon kijk ik naar de kinderen die van een helling af rollen. Ze willen dat ik ze time met de stopwatch, dus dat doe ik een tijdje terwijl ze om het snelst rollen en onder aan de helling in de dennentakken smakken.

Dan gaan ze op het ijs lopen in de weteringen om te kijken of het houdt. Ze lopen langs de kant. Het ijs brokkelt af onder hun laarzen, niet erg, een beetje. Ze prikken met stokken en slaan op het ijs voordat ze verder lopen. Het klinkt hol en het kraakt. Niemand wordt nat.

Oh ja: ze willen nu naar die dooie ooievaar, of hoe heet-ie. “Hoe groot is hij?” Ik wijs met mijn handen: zo groot. “Aanraken met je handen is gevaarlijk: kun je ziek van worden.”

Ze vinden de buizerd snel en prikken hem met hun stokken, rollen ‘m op zijn rug zodat de gele klauwen zichtbaar zijn.

“Hij heeft geen oog!”

“Mieren lusten graag ogen,” weet er een.

“Hoe ging hij dood? Hij heeft een kale plek met een gat in zijn nek. Hoe komt dat?”

Ze ontpoppen zich als thriller-detectives. Goeie vragen. Ze tikken op vleugels: Hoor het is hard als een bot hier, op zijn rug is ie ook hard: tik tok tik. De dode buizerd houdt zich goed.

Een meisje vertelt van dode vissen op school die ze mochten opensnijden. “Die hersens waren vies als kots, bluh, blegh.”  “Ja goor als kots,” beaamt haar klasgenoot.

“Kots kots, als die hersens van die vissen in hun keel komen, bluh!” verzint er een. “Ik spring in het water, bleh! vissenkots overal.” Ze gieren van de lach.

Verder het bos in gaan ze, op zoek naar botten. Maar in dit bos zijn geen botten. Wel is het een heel donker bos. Maar als je het donkere bos in gaat is het daar net zo licht als eerder. Gek. Moet je durven. In tweetallen verdelen ze zich, niemand gaat alleen. Ze dwalen een tijd lang onzichtbaar rond. Soms hoor ik ze ook niet. Ik roep en krijg antwoord.

Dan is het alweer tijd om te eten en gaan we terug. Niet zonder stokken. En niet zonder foto van die buizerd.

“Oh ik vond het heerlijk in het bos,” zeg ik gemeend.

“Ik ga morgen gamen en …”

“Je bent net uren in het bos geweest, denk er nog even aan.”

Hij kijkt me aan of ik gek ben, twijfelt toch een beetje en is stil.

Bijna maak ik me kwaad over schoolsystemen en al dat gedenk, maar de zon schijnt in mijn haar: Bijna lente.